+32 9 265 74 00

Het Stikstofarrest – Hoe verder met de nieuwe en lopende dossiers

MER, impactstudies en mobiliteit

Op 2 mei werden via een Ministeriële instructie (KZD-13620)nieuwe richtlijnen bekend gemaakt omtrent de beoordeling van stikstofuitstoot bij vergunningsaanvragen met een mogelijke impact op habitatrichtlijngebieden. Deze instructie komt er naar aanleiding van het zogenaamde Vlaamse stikstofarrest van februari 2021 (arrest nr. RvVb-A-2021-0697). In afwachting van een definitieve stikstofaanpak (voorzien tegen eind dit jaar) wordt het kader geschetst dat kan gehanteerd worden bij advies- en vergunningsverlening. Dit kader moet het mogelijk maken om de vergunningverlening verder te laten lopen, zonder dat de vooropgestelde natuurdoelen in het gedrang komen.

In de instructie wordt onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de impact vanwege NOx (vnl. wegverkeer en industrie) en NH3 (vnl. veehouderijen). Dit onderscheid wordt gemaakt omwille van enerzijds het verschillende dispersiepatroon van beide stoffen, en anderzijds de al dan niet dalende trend tijdens de laatste jaren.

Concreet schrijven de richtlijnen voor dat inzake NOx een onderdrempel kan gehanteerd worden van max. 1% bijdrage aan de kritische depositiewaarde van beïnvloede habitats (met een max. van 0,3 kg N/ha.j). Is er in de omgeving van het project binnen habitatrichtlijngebied een habitat met een kritische depositiewaarde van bv. 20 kg N/ha.j gelegen, dan mag de maximale bijdrage ter hoogte van dit habitat 0,2 kg N/ha.j zijn. Wordt deze drempel niet overschreden, dan volstaat de voortoets als habitattoets en kan het project inzake stikstofdepositie vergund worden. Wordt een overschrijding vastgesteld, dan dient overgegaan te worden tot verder onderzoek in een passende beoordeling, waarbij een in concreto beoordeling nodig is, rekening houdend met de kenmerken van het project en het gebied. Indien uit dit onderzoek blijkt dat betekenisvolle effecten kunnen uitgesloten worden, is het project vergunbaar inzake stikstofdepositie. Hierbij wordt benadrukt dat, indien de kritische depositiewaarde door de bestaande depositie reeds overschreden wordt, het project niet automatisch aanzien wordt als een significant negatief effect. In dat geval dient de significantie op basis van expertenoordeel te worden nagegaan. Zo dient onder meer onderzocht te worden in welke mate emissiereducerende maatregelen toegepast worden.

De impactbeoordeling van NH3 wordt in de instructie slechts beperkt aangekaart. Er wordt geen melding gemaakt van een te hanteren onderdrempel, zoals bij NOx. Er kan aldus geen eerste ‘selectie’ gemaakt worden van projecten die wel of niet kunnen leiden tot betekenisvolle effecten. Alle aanvragen dienen echter individueel beoordeeld te worden, waarbij desgevallend een passende beoordeling moet opgemaakt worden. Er dient maximaal ingezet te worden op NH3-reducties. Intussen zijn richtsnoeren bekend gemaakt bij toepassing van het tussentijds kader voor NH3-emissies veroorzaakt door veehouderijen mestverwerkingsinstallaties. Er worden een aantal principes opgelijst om te hantering bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. Zo worden bijkomende emissies sterk afgeraden en moet er aangetoond worden dat de ammoniakdeposities niet toenemen in een speciale beschermingszone.

Blijf op de hoogte, schrijf je in op onze nieuwsbrief